Nostalgie zit in een klein bakje havermout.

Vanmorgen sinds lange tijd (een jaar of dertig) weer eens een bakje havermoutse pap gemaakt. Beetje melk, beetje havermout en lekker doorkoken. Suiker erbij. Bakje naar de neus brengen en (opnieuw) nieuwsgierig naar de eerste hap. En daar kwamen ze als vanzelf naar boven: nostalgische beelden uit de periode rond 1959, de tijd van “Marina” van Rocco Granata. Mijn vader die altijd als eerste op was en de kolenkachel opstookte, zodat het warm was als de rest van de familie naar beneden kwam. Vanonder de warme dekens hoorde ik het stommelen beneden en ik vond het intens gezellig. Groot gevoel van veiligheid. De wind loeide om het huis. Soms lag er een pak sneeuw. Meestal regende het, vaak was het grauw. Op de radio het monotone geluid van de dagelijkse nieuwsberichten. De ochtendgymnastiek van Ab Goubitz en Arie Snoek: “Goedemorgen dames en heren, staat u allen klaar?”. De Vara-haan, hoewel we geen Vara-sympathisanten waren. We stonden open voor alles. ” Happy days are here again”: dat liedje uit het verre Amerika. Nog altijd als ik het op onverwachte momenten hoor -tegenwoordig zelden- maak ik een reis door de tijd, terug naar 1959.

Brandpunt kijken

Ongeveer ook in die periode in het weekend met gewassen haren, in pyama voor de televisie: Brandpunt kijken. Toen had ik er geen enkel idee van, dat ik daar ooit zou komen werken, het programma nog eens zou presenteren en er 8 jaar lang de eindredacteur van zou zijn. De journalistieke belangstelling diende zich al op 5-jarige leeftijd aan. Het bewijs daarvan zit in het fotoboek, dat mijn moeder met zorg samenstelde: een jongetje van 5, in korte broek, dat bij een luchtshow aantekeningen staat te maken. Inderdaad: dat was ik.

Ik relativeerde in die tijd het belang van televisie. Dat was toch eigenlijk niet meer dan radio met een plaatje? Het was tegen beter weten in. Ik weet nog hoe ik -komend uit de kerk, ter hoogte van de plaatselijke snoepwinkel op de hoek van de Kerkstraat en de Brugstraat- fantaseerde, dat onze radio ergens een heel klein beetje beeld zou kunnen produceren. Al zou het vaag en slecht zijn: ik zou er toch tevreden mee zijn. Ik had dus visioenen over televisie. Waarom die beelden opkwamen zo kort na een kerkbezoek? Geen idee. Misschien omdat dan de verveling het ergst en daardoor de fantasie het grootst was.

Tikken met 2 vingers

Gefascineerd kon ik ’s avonds luisteren hoe 2 fanatieke vingers van mijn vader het toetsenbord van de Remmington beroerden. Ik was onder de indruk van het resultaat: razendsnel concipieerde hij, prachtige, mooi geschreven lokale verhalen. Mijn vader had graag journalist willen worden. Dat lukte pas later (min of meer) nadat hij een schriftelijke cursus had gevolgd bij het NTI. Het is nooit echt zijn hoofdberoep geworden, het bleef een bijbaan, die ik op mijn 14e van hem overnam. Hij wilde stoppen met de lokale verslaggeving en hield thuis namens de krant sollicitatiegesprekken voor zijn opvolging, terwijl ik in de hoek van de verwarmde huiskamer mijn huiswerk zat te maken. Ik zat daar, omdat het in de rest van het huis te koud was. Op de slaapkamer stonden de ijsbloemen op de ramen. Van isolatie hadden we nog niet gehoord en electriciteit was te duur om het straalkacheltje permanent te laten branden. Om de haverklap riep mijn moeder naar boven of “dat ding nu al uit stond”. Je had er bovendien niets aan. Het verwarmde alleen je voeten. Van onder bloedheet, van boven ijskoud. Dat mijn vingers niet bevroren was te danken aan de warmte van het burolampje op het tafeltje met formikablad. Was het ver onder nul en dan gerekend over een aantal dagen, verhuisde ik naar de woonkamer. Wel gezellig, maar moeilijk om je te concentreren.

Ik bekeek die rare snuiters die over de vloer kwamen en kwam met dit lumineuze idee: “Als zij het kunnen kan ik het ook”. Ik zei het tegen mijn vader. Ik had immers net de opstelwedstrijd gewonnen over zoveel jaar koninkrijk: 3 volgeschreven en rijkgeïllustreerde schriften. De klasseleraar keek bedenkelijk bij elk nieuw schrift dat ik kwam halen. Was het dan nooit genoeg? Maar het resultaat mocht er zijn. De hoofdprijs bestond uit prismaboekjes Duits-Nederlands, Frans-Nederlands, Engels-Nederlands vv. Ik heb ze nog steeds.

Tante Cor vond het niks

“Waarom niet?”, zei mijn vader en hij legde mijn wens voor aan de redacteur van de krant, die het wel een interessant experiment vond. Ik was dus 14. Tante Cor vond het een bedenkelijke beslissing. “Is dat niet te hoog gegrepen voor zo’n jongen?”, zei ze tegen mijn moeder. Mijn moeder had het niet zo op tante Cor. Haar houding vergrootte dus mijn kansen. Kort daarop werd ik benoemd tot correspondent van Etten-Leur e.o. Een keiharde opleiding kreeg je in die tijd. Mijn schrijfsels werden standaard weggeggooid. Dan klom ik op de fiets en reed naar de ene telefooncel, aan de andere kant van het dorp. Daar belde ik de redactie. “Wilt u er nog 2 kwartjes bijgooien”, zei de telefoonjuffrouw. En dan geschiedde het wonder en meldde zich op de krakende lijn een mysterieuze man, die chef van de nieuwsdienst was. “Er was geen plaats”, zei hij zonder mededogen. “Het komt morgen”. Ik ken ze nog allemaal bij naam, mijn kwelgeesten uit die tijd. Soms kwam het wel en soms ging het de prullenbak in.

Als ik het te bont maakte met mijn spelfouten (Zo schreef ik ooit Gresley-beer, terwijl het Grizzly-beer had moeten zijn) kwam er een redacteur op de brommer vanuit het verre Breda om mijn vorderingen met mij en mijn moeder te bespreken. Nu zou je zo’n man wegens inmenging in interne aangelegenheden op zijn bek slaan (wie wil er nog gecorrigeerd worden?), maar ik kon de kritiek aan. Het was de beste leerschool die ik ooit heb gehad. Zo leer je frustratiebestendig te zijn en vol te houden. Ik was trots toen ze me zo vertrouwden dat ik mijn eerste raadsvergadering mocht verslaan. Weliswaar in het verre Zevenbergen, hetgeen betekende door de stromende regen per brommer eerst 1 uur heen, dan 2 uur naar het lokale geneuzel luisteren, dan 1 uur in de stromende regen terug, verhaal schrijven en vervolgens doorbellen.

Dat ging zo: een mevrouw op de redactie verbond je met een platenspeler. Je moest je verhaal nauwgezet voorlezen en alle moeilijke woorden spellen. “De gemeenteraad van Zevenbergen…. Zevenbergen, gespeld: zaandam, eduard, victor, eduard, nico etc…. Na afloop moest je de verbinding verbreken, zonder dat je nog iemand te spreken kreeg. Soms hoorde je pas de volgende dag, dat er bij het lezen technisch iets was misgegaan en dat daarom het artikel de krant niet had gehaald. Het kwam dan wel de volgende dag, maar zo laat….: het voelde als een blamage. De krant moet snel zijn! Sneller dan de concurrent. Later toen ik voor de Tros als parlementair verslaggever voor de radio werkzaam was in Den Haag moest ik nog vaak aan de gemeenteraad van Z. denken. Er was geen wezenlijk verschil.

Hij maakte de eerste tv-antenne

Mijn vader bracht het dus nooit tot professioneel journalist. Het bleef een verdienstelijke hobby. Na het opstoken van de kachel, het koken van de havermout, smeerde hij zijn boterhammen en vulde een Exotafles met thee met melk en suiker en stapte op de fiets om in het 12 kilometer verder gelegen Breda daken te bedekken. Hij was loodgieter. Voor een gefortuneerde Bredase familie soldeerde hij van koperen pijpen de eerste televisieantenne. En voor mij maakte hij uit waterleidingbuis een indrukwekkende ontvangstspriet, die me de illusie gaf dat ik dan beter het radioverkeer van Radio Scheveningen kon ontvangen op de Philips-radio die nog was overgebleven uit de oorlog. Als het onweerde moest die antenne altijd naar binnen vanwege het inslaggevaar. Omdat ik dacht dat de ontvangst met nog meer koper veel beter nog zou worden had ik in mijn dakkapel een spinnenweb van draden geweven. Toen het weer onweerde en ik niet snel genoeg de buitenantenne naar binnenhaalde wilde mijn vader die klus klaren. Hij raakte verstrikt in het web van koperdraden en trok ze woedend van het palfond. Ik nam het hem niet kwalijk.

Hij kon schrijven als de beste en ik heb veel van hem geleerd. Eigenlijk alles. Later werd hij magazijnchef en werkplanner en belandde hij op een mooi kantoor. Hij stierf kort na zijn pensionering aan een hartstilstand en heeft dus niet meer meegemaakt dat ik eindredacteur (nu noemen ze dat hoofdredacteur) van het door hem zo bewonderde Brandpunt werd.

Kijk, die herinneringen ontstegen deze ochtend alle aan dat ene, geurige bakje hete havermout…..

 

Geef een reactie