Het leed van ‘de woordvoerder’

Communicatieadviseur Jan-Willem Wits schetst in deze column het dilemma van de pers-woordvoerder. Heel open beschrijft hij zijn ervaringen als communicatieadviseur van KPMG op het moment dat de organisatie onder vuur lag. Hij stond de visuele pers te woord, maar het bekwam hem slecht omdat hij op veel vragen geen antwoord had. Zelfs zijn zoontje viel het op. Tegen klasgenootjes zei hij; ‘Mijn vader was gisteren op televisie en hij wist heel veel dingen niet’. Een andere organisatie die eveneens in opspraak was liet de luiken dicht, gaf geen commentaar en kwam er met dit defensieve gedrag publicitair veel beter vanaf. Wel of niet op televisie verschijnen: daarover gaat de column. Het verhaal van Jan-Willem stimuleerde tot het formuleren van dit antwoord:

Er is verschil tussen vorm en inhoud

Het is een interessante casus Jan-Willem. Naar mijn mening staan hier twee zaken naast elkaar: inhoud en vorm. Er is geen twijfel mogelijk: van alle organisaties waarvan het handelen maatschappelijke impact heeft, mag verwacht worden dat ze transparant zijn. Het betekent dus dat als er informatie gevraagd wordt die ook beschikbaar moet zijn. Hoe die informatie ontsloten wordt is een kwestie van vorm.

Je hoeft niet aan elke wens tegemoet te komen

Betekent transparantie automatisch dat meegewerkt moet worden aan een televisie-interview (vorm)? Volgens mij niet, omdat het vaak een ongelijke strijd is. De verslaggever beheerst het medium en speelt een thuiswedstrijd. Bovendien bepaalt hij in de edit het eindbeeld en daarbij is de geïnterviewde de onderliggende partij. Je hoeft er niet aan mee te doen. Interviews vergen een bepaald talent en dat is veel CEO’s niet gegeven, omdat ze op dit gebied niet bedreven zijn. Vaak kiezen CEO’s voor een rol op de achtergrond. Dat is heel onverstandig, want is er een crisis dan staan ze ineens in het licht en dan ontbreekt de televisie-ervaring. Die is met een enkel mediatraininkje niet bij te spijkeren: goed communiceren is een kwestie van doen, van vlieguren maken

CEO moet zelf naar buiten treden

Overigens; als je als organisatie echt transparant wil zijn moet je geen ‘woordvoerder’ naar voren schuiven maar degene die voor de besluitvorming verantwoordelijk is en alle ins en outs kent. De conclusie? Informatie geven: ja. Verplicht zijn om mee te werken aan elke vorm die een journalist daar om zijn moverende reden voor kiest: nee. Persoonlijk vind ik overigens dat CEO’s meer het lef zouden moeten hebben om naar buiten te treden. Dus in die zin sta ik aan de kant van de journalistiek.

Boosheid als drive

Joep Dohmen is een verhaal apart: hij schept er genoegen in om persoonlijk te zijn en daarbij opereert hij heel kort door de bocht, boosheid is zijn drijfveer heb ik wel eens gedacht. Mensen zijn in de ogen van Dohmen slecht, tot het tegendeel is bewezen. Het is een houding waarvan ik niet zo houd. Dat maakt verantwoordelijken onnodig defensief en zo creëer je je eigen gelijk als journalist. Bij onderzoeksjournalistiek mag je een grotere afstand tot de materie verwachten. Zijn werkwijze is hem ooit op een reprimande van de Raad voor de Journalistiek komen te staan, maar die uitspraak ligt ver achter in de dossierkast verborgen.

TON VERLIND

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*